April 2013

Wie begint in De Vergankelijkheid (128.5 DEK) van Midas Dekkers stapt bij wijze van spreken in een achtbaan. En vergeet maar dat je er nog uit zou kunnen stappen, daar is het veel te fascinerend voor. In lange hoofdstukken met nauwelijks een adempauze sleurt Dekkers zijn lezers langs een ongelofelijke reeks van onderwerpen, die allemaal met oud worden en vergaan te maken hebben. En aangezien de meesten van ons de eigen afgang met schrik waarnemen en misschien wel hopen dat hier een remedie wordt aangeboden, blijf je lezen.

Dekkers heeft een simpel recept om zijn lezers te blijven boeien: een flinke dosis overdrijving, een schep cynisme, een nuchtere kijk op het leven, spitsvondige vergelijkingen en een enorme vlotheid van pen. Hij maakt je graag aan het schrikken en als bioloog heeft hij daar alle materialen voor bij de hand. Of hij nou beschrijft hoe het ene organisme het andere helpt afsterven – waardoor je geen haring of hutspot meer wilt eten – of de chemische processen waardoor gebouwen tot verval raken, hij weet precies duidelijk te maken waarom het allemaal zo onvermijdelijk is. Reden waarom hij blijkbaar ook zo’n hekel heeft aan natuurbewaarders en –beschermers, restaurateurs van schilderijen en andere vechters-tegen-de-bierkaai.

De obsessie van veel mensen – vrouwen – met het uiterlijk, het sporten om jong en gezond te blijven, diëeten en vitaminen, Dekkers hekelt het allemaal. Geruststellend eigenlijk: als het toch niet helpt hoef je immers niet. En tussen alles door sprenkelt hij aardige wetenswaardigheden. Dat hoofdstuk over de neus als orgaan voor herinnering, wat was ik het daar mee eens! En dan als conclusie blijkt dat er inderdaad geen remedie is tegen verval en afsterven, maar wel alle reden om met de natuurlijke gang van zaken gewoon tevreden te zijn als je bereid bent het allemaal een beetje filosofisch te bekijken.

 

Als ik teveel hamer op de schilderijen uit de 17e eeuw moet u me dat maar vergeven. Ik vind dat nog altijd de mooiste periode uit onze schilderkunst. Vandaar dat u hier nu moet lezen over Hollandse stadsgezichten uit de Gouden Eeuw (711.409492 SUC), vanwege het Dewey-nummer makkelijk te missen voor degenen die schilderijen zoeken. Het is – alweer – een catalogus bij een tentoonstelling.

Wat een zegen dat die schilders van vroeger alles zo natuurgetrouw vastlegden! Nu weten we dus precies hoe Amsterdam, Den Haag, Haarlem en vele andere steden er in die tijd uitgezien hebben. Hoe kon je anders nog weten hoe het oude stadhuis van Amsterdam eruitzag, wat een spektakel het was toen het in 1652 afbrandde en hoe het was toen de Waag daar ook nog stond, tot Lodewijk Napoleon hem liet afbreken omdat de Waag volgens hem het uitzicht vanuit het nieuwe paleis op de Dam belemmerde. Van Gerrit Berckheyde had ik nog nooit gehoord, en die heeft dat juist allemaal zo mooi afgebeeld.

Je kunt zien hoe de trekvaart van Haarlem naar Leiden in 1657 geopend werd en hoe een kettingmolen – voorloper van de baggermolen – eruitzag. Oude schilderijen worden zelfs wel eens geraadpleegd als er oude gebouwen gerestaureerd moeten worden, terwijl die schilders-van-toen soms tegelijk architect waren. En dan zijn er van die wetenswaardigheden als de kruitontploffing in Delft in 1654, waarvan zelfs het precieze tijdstip bewaard is gebleven; de gefantaseerde details die Van Der Heyden aan zijn schilderijen toevoegde en de oorsprong van het ‘vechten tegen de bierkaai’ van hierboven.

 

Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen, maar er was een tijd dat niemand ooit van André Rieu had gehoord. Opgegroeid in de klassieke muziek had hij dat lichtere operette genre nog nooit gehoord voor zijn romance met zijn latere vrouw Marjorie begon. Dat was het soort muziek waarmee zíj opgegroeid was (het verhaal over de grammofoonplatencollectie van haar vader, die van schellak waren en dan net bij Midas Dekkers gelezen hebben wat dat eigenlijk is, mooi is dat). Het sloeg bij André in als een bom, hij wilde eigenlijk niets anders meer spelen. In Mijn werk, mijn leven (787.1092 RIE) vertelt hij zelf hoe het allemaal begonnen en gegroeid is. Over de zeven magere jaren, die er veertien werden, het kleine orkestje waarmee die eerste jaren de optredens werden verzorgd, de droom om het groter en mooier te maken en de enorme ‘veldslag’ om dat visioen waar te maken. De tegenwerking van omroep en tv, die het helemaal niét zagen zitten, de cd-makers, die geen interesse hadden en de koppigheid van één man – gesteund door zijn vrouw, die een inzichtgevend hoofdstuk aan het boek toevoegt – die van jongs af aan blijmakende muziek naar de mensen wilde brengen en daar uiteindelijk in slaagde. Het boek is geschreven in 1996 en we weten inmiddels allemaal dat het succesverhaal steeds verder is gegaan, maar het is erg leuk om hem er zelf over te horen vertellen.

 

Het is niet aan te bevelen om in Blauwe Maandag (FREN) te beginnen als u eigenlijk iets anders zou moeten doen, want dat zal er dan gegarandeerd bij inschieten. Weer een Nicci French die je niet weg kunt leggen als je er eenmaal in begonnen bent. Ze introduceren een nieuwe hoofdpersoon, Frieda Klein, een psychiater, er komt een hele reeks over haar. Een jongetje van vijf jaar raakt weg, waarschijnlijk gekidnapt. Er zijn echo’s van een vroegere zaak, 22 jaar geleden, toen was het een vijfjarig meisje. Ze is nooit gevonden. Frieda raakt bij deze zaak betrokken via de waandenkbeelden van een patient. Het boek was voor mij extra interessant omdat er een aspect van mijn eigen familie in voorkomt, maar het zou te veel van het verhaal verraden als ik u dat ging vertellen. Zelf lezen dus.

 

Er was eens een dominee die in de politiek ging en het zelfs bracht tot president van de Zuid-Afrikaanse Republiek. Een veelzijdig man, die Thomas François Burgers, want hij was nog schrijver ook! Zijn schrijfsels waren allang in de vergetelheid geraakt bij het gewone publiek, maar onze voorzitter, professor Wium van Zyl heeft de in 1867 in het oud-Nederlands gedrukte stukken in modern Afrikaans vertaald en zo staat het boek nu bij ons op de plank: Tonele uit ons dorp (839.363008 BUR).

Geen makkelijk te lezen verhaaltjes, want het taalgebruik is na 140 jaar toch wel wat verouderd, maar wat kon die man schrijven! Hij observeerde zorgvuldig en kritisch, waardoor je heel interessante dingen leest over het dorpsleven in die tijd. Maar het zijn niet allemaal vrolijke tonelen, Burgers was een man die nadacht en veel algemeen aanvaarde dingen in twijfel trok. Dat levert een paar heel mooie hoofdstukken op, zoals het sterven van Marie en de daaruit voortkomende discussie met de dominee, en het stuk over de catechisatie, waar een jongen moeilijke vragen stelt, die de dominee ontwijkt of vaag beantwoordt. En dan dat laatste mooie hoofdstuk, in het oorspronkelijke oud-Nederlands gelaten, over het Heilig Avondmaal weekend op het dorp. Schitterend!

Advertenties

Tags: , , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s