Juni 2013

Lisa St Aubin de Terán was pas zestien jaar toen ze met Jaime de Terán Labastida trouwde, een man die twee keer zo oud was als zij en die al jaren wegens bankberoving in de gevangenis had gezeten. Samen met hem en twee vrienden zwierf ze eerst twee jaar door Italië, waarna haar echtgenoot besloot dat het tijd was om naar zijn voorouderlijke haciënda in Venezuela te gaan en daar zijn rol van eigenaar op te nemen. En dus ging de 18-jarige Lisa met hem mee naar een land waar ze alleen wilde verhalen over had gehoord, maar niets met zekerheid over wist.

De haciënda – al sinds de tijd van Columbus in de familie – bleek zich onmetelijk ver uit te strekken over de noordelijke grijpvingers van het Andes gebergte en als voornaamste gewassen suiker en avocado’s te produceren. Hij werd bevolkt door talloze onderhorigen en hun gezinnen, terwijl er in de steden onnoemelijk veel Terán familieleden woonden, producten van decennia van inteelt. Alle zeden en gewoonten waren er anders dan in Engeland en niemand was ook maar in ‘t minst van plan om enige toegeving te maken voor Lisa’s onwetendheid daarvan. Ook de echtgenoot bleek zich opeens bijzonder weinig van zijn jonge vrouwtje aan te trekken, zodat ze in een klein primitief huis min of meer aan haar lot overgelaten werd. De Haciënda, mijn jaren in Venezuela (STAU) is het autobiografische boek dat Lisa schreef over haar ervaringen daar. Een in eerste instantie wat verloren ziel, die dapper probeert te overleven en daar tegen ongelofelijke tegenslagen in wonderwel in slaagt. Met veel humor beschrijft Lisa haar dagelijks leven, de mensen om zich heen, de pogingen om die van hun vele kwalen af te helpen, de vooroordelen en bijgeloven, het proces van de suikerfabricage en de belevenissen met haar vele ‘huis’dieren. Een prachtige kroniek door een geboren schrijfster.

 

Voor Telegraaflezers is de column van prof. dr. Bob Smalhout al jaren een instelling. Het feit dat geneeskunde zijn vakgebied is weerhoudt hem er niet van een uitgesproken mening te hebben op allerlei ander gebied, in het bijzonder politiek, onderwijs en samenleving. 46 Columns van 2006/7 zijn gebundeld in Na ons de zondvloed (301.247 SMA), een onverantwoordelijke kreet die Smalhout zelf nadrukkelijk niét onderschrijft. Hij legt in elk van die stukken een heilige morele verontwaardiging aan de dag, die bij menige Nederlander weerklank vindt – maar je moet het maar durven te zeggen. Of schrijven dus, elke week weer, een stem in de wildernis in verlerlei opzicht. Tirades tegen de schimmellaag die zich vastgezet heeft op het moderne onderwijs en op de gezondheidszorg, tegen de euro en de morele zelfmoord van de maatschappij, topzwaar van de ambtenaren. De medische wereld ligt Smalhout uiteraard na aan het hart, maar dat geloof wordt verdrongen door ‘verstand’ en onderwijs zienderogen afbrokkelt zijn ook onderwerpen die meermalen aan de orde komen. Je staat als lezer versteld van sommige onthullingen, zoals bv die over de meest afschuwelijke Nobelprijstoekenning aller tijden en het kerstfeest in Ravensbrück. Een stem in de wildernis, maar wel een die het allemaal prachtig scherp weet te formuleren en die je heel erg aan het denken zet.

 

Veel wist Suzanna Jansen niet van haar familiegeschiedenis, er werd thuis nooit veel over verteld. Tot ze bij het opruimen van een zolder een oud bidprentje tegenkomt en er iets over gezegd wordt dat niet lijkt te kloppen. Suzanna is niet voor niets journaliste, ze gaat meteen op onderzoek uit. En wat ze blootlegt is niet mis: haar moeders familie blijkt een lange verbintenis te hebben met de bedelaarskolonie Veenhuizen. Eigenlijk is Het Pauperparadijs (JANS) dan ook zowel de geschiedenis van deze kolonie als die van Suzanna’s eigen familie. Een fascinerend boek over een hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis waar veel landgenoten nauwelijks weet van hebben. De goede bedoelingen, de vaak ondoordachte uitwerking daarvan, de vreemde uitgangspunten, het effect van allerlei maatregelen op de machteloze slachtoffers, het komt allemaal aan de orde. Maar de vastberaden moed van vooral de vrouwen in haar familie om uit het moeras te klauteren en volwaardige leden van de maatschappij te worden geeft een gouden randje aan het verhaal. Een ontdekkingstocht naar het verleden, die ondanks de schokkende revelaties veel waarde moet hebben toegevoegd aan de familiegeschiedenis, want weten waar je vandaan komt is voor iedereen belangrijk.

 

De Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie volgde een schrijverscursus in de VS, nadat ze haar jeugd in haar geboorteland Nigeria had doorgebracht. Haar eerste boek Paarse hibiscus werd meteen bejubeld in de pers, zelfs door vooraanstaande schrijvers en dat is niet voor niets: het is een prachtig doorvoeld verhaal over een tienermeisje, waarvan je als lezer hoopt dat dit niet autobiografisch is.

Kambili en haar iets ouder broer Jaja groeien op in een zeer welgesteld gezin met alle luxe die men zich maar kan denken. Maar een vrolijk leven is het niet, want de overheersende factor is de godsdienstwaanzin van hun vader, die gepaard gaat met zijn verschrikkelijke driftbuien en zijn neiging om alles en iedereen te regeren. Ook moeder lijdt eronder, maar niemand durft tegen hem op te komen. De man heeft trouwens zijn goede kanten ook. De kinderen gaan logeren bij vaders zuster, die het heel arm heeft, maar wier gezin vrolijk en gelukkig is, waar álles anders gaat dan thuis. Interessant zijn de details van het dagelijks leven in Nigeria, wat men eet, hoe de samenleving is ingericht, hoe men de tirannieke regering ervaart. Een boek dat ‘van binnen uit’ geschreven is, je hebt bijna het gevoel er geweest te zijn.

De grootvader waar ze niet mee mogen omgaan omdat hij niet katholiek is, maar een ‘traditionalist’ en de priester die zoveel voor Kambili betekent zijn allebei belangrijke figuren in het boek. Het voornaamste gevoel dat je er uiteindelijk bij overhoudt is hoe verkeerd het is om andere volken je geloof op te leggen en te proberen hun tradities, hun oorspronkelijke geloof uit te wissen. Een boek dat heel wat vraagtekens zet bij dingen die onze westerse wereld altijd heel gewoon en zelfs lofwaardig heeft gevonden.

 

Geschiedenis van de architectuur (720.0 BUS) door Marco Bussagli, een beroemd Italiaans kunsthistoricus. Het eerste gedeelte behandelt materialen, stijlen, hoe nieuwe technieken steeds grotere gebouwen mogelijk maakten, dat soort dingen, met de prachtigste foto’s erbij. In het tweede deel krijg je pas de echte geschiedenis, de overblijfsels van de neolithische populaties en de latere beschavingen, zoals ze elkaar opvolgden. Er worden een aantal beroemde architecten besproken en veel individuele gebouwen en complexen. Ik constateer als altijd weer dat ze vroeger zoveel mooier – en romantischer – bouwden dan nu, wat dat aangaat is het een heel nostalgisch boek. En als ik nou mocht kiezen in welk van die gebouwen ik het liefst zou wonen, zou dat beslist het huis van Thomas Jefferson zijn.

 

Advertenties

Tags: , , , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s