Hemelvaart – Augustus 2015

De debuutroman van de Vlaamse Griet Op de Beeck heet Vele hemels boven de zevende (OPDE) en het was meteen raak. Publieksprijs 2013 gewonnen en genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, waardoor binnen een jaar de 16e druk. Hopelijk moedigt dat Griet aan om nog meer te schrijven, want ik vond dit boek heel mooi. Er komen vijf mensen steeds om de beurt aan het woord: een vader, twee volwassen dochters, een kleindochter en een man-van-buitenaf. Het duurt niet lang voor je er helemaal in zit en naarmate de puzzelstukjes inelkaar vallen komt het verhaal van deze familie uit de verf en worden het echte – heel gewone – mensen, elk met een heel eigen karakter en manier van denken, zodat je je afvraagt hoe één schrijfster dat zo mooi heeft kunnen verzinnen. Afwisselend nuchter, chaotisch, rauw en heel teder, uiteindelijk resultaat: een heel warm boek.

Ook Delphine de Vigan schreef een familieverhaal, eigenlijk de biografie van haar moeder Lucile, hoewel de andere familieleden goed uit de verf komen. Het was een uitermate moeilijke opdracht die ze zichzelf stelde na Luciles overlijden, zoals het leven van Lucile ook vreselijk zwaar en moeizaam was geweest. Het werd een speurtocht in oude papieren, dagboeken en eigen herinneringen, lange gesprekken met heel veel familieleden, luisteren naar oude cassettes, en langzamerhand begon het verhaal vorm te krijgen. Delphine schrijft het eigenlijk zoals ze de informatie uitvindt, voor de voet weg, vertellend over het hele proces en hoe ze er zelf over voelt en op reageert. Het dwingt haar om over het verleden na te gaan denken. Niets weerstaat de nacht (DEVI) heet dit boek, ‘roman’ staat er op, hoewel er geen woord van verzonnen is. Een heel mooi (uit het Frans) vertaald menselijk document, waarin de schrijfster op blz. 302 eindelijk voor zichzelf formuleert waarom ze dit grote werk begonnen is. Een tour de force, zelfs voor iemand die voordien al een bekend schrijfster was.

Een bijna vergeten hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis, maar niet helemaal: Arthur Japin haalde het al eens naar voren in zijn boek De Zwarte met het Witte hart. Daar deed de titel Zwarte huid, Oranje hart (355.22 MOL) me dan ook dadelijk aan denken. De Nederlandse regering van Koning Willem III ronselde in het midden van de 19e eeuw meer dan 3000 mannen uit verschillende West-Afrikaanse stammen voor het Koninklijk Nederlands Indische Leger, het KNIL. De prinsjes uit Japins boek dienden als onderpand, de anderen werden als vrijgemaakte slaven via Fort Elmina per schip naar Indië vervoerd, leerden onderweg wat Nederlands en Maleis en waren van dan af vrije Nederlandse onderdanen mét het bijbehorende paspoort. Griselda Molemans, die al meerdere boeken over Indische afkomst heeft gepubliceerd en zelf afstammelinge van zo’n Afrikaanse (in de betekenis van ‘uit Afrika’) Nederlander is, heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar deze groep, waarvan ze een groot aantal nakomelingen wist te traceren.

De meeste van deze families repatrieerden in 1950 naar Nederland toen het KNIL ontbonden werd, maar er waren er ook die opteerden voor in vredesnaam maar een Indonesisch paspoort, als ze maar niet weg hoefden uit wat toch eigenlijk hun vaderland was.

Het boek bevat prachtige foto’s van deze mensen, die allemaal van gemengd bloed zijn: Afrikaans/Javaans/Nederlands. Veel van ze wisten niets van hun Afrikaanse herkomst, waar van ouds her nooit over gesproken werd, en waren wegens hun donkere uiterlijk al vaak voor Ambonnezen of Surinamers aangezien. Ze vertellen allemaal hun familieverhaal, delen hun eigen familiefoto’s met de schrijfster, die het allemaal compleet met half-incorrecte herinneringen heeft opgeschreven. Zoals ‘het laatste transport’ in 1957 (op blz. 192) waarvan ik uit eigen ervaring weet dat dat niét op 5 december was. Niet een boek waar alle lezers meteen op af zullen springen, maar wellicht zijn er toch een paar die het een mooie ontdekking vinden, net als ik. Het laatste hoofdstuk over DNA onderzoek naar de Afrikaanse roots is ook heel interessant.

Die Koning Willem III weet wat! Zijn initiatieven op het gebied van – late – slavernijafschaffing hadden gevolgen voor heel veel mensen. Uit zijn naam werden ook de zwarte slaven in Suriname vrijgemaakt en daar moesten ze dan maar blij mee zijn. Dat ze er in de praktijk op achteruitgingen, omdat hun kleine gekregen volkstuintje haast niets opbracht en de prijs van landbouwprodukten nog nooit zo laag was geweest, zodat ze maar net niet stierven van de honger, daar had de koning geen boodschap aan. In Amsterdam werd een internationale tentoonstelling georganiseerd, waar allerlei landen hun produkten konden uitstallen, en Nederland? Nederland stalde de vrijgemaakte slaven van Suriname uit! Tegen een kwartje konden de Nederlanders zich komen vergapen aan ‘die zwartjes’, luidkeels commentaar leverend, never mind of die gekooide (letterlijk!) mensen ze konden verstaan. Die waren gekomen omdat ze dachten de koning te zullen ontmoeten, ze hadden een danklied ingestudeerd, maar wie er kwam, geen Koning Willem III. In De Inboorling (AKKE) vertelt Stevo Akkerman het fictieve verhaal – dat gebaseerd is op de goedgedocumenteerde historische feiten – van Frederik, die een van de tentoongestelden was en van zijn achterkleinzoon Jozef, die nooit iets over deze geschiedenis geweten heeft, maar er na de dood van zijn moeder door oude brieven achter komt, juist op het moment dat het Rijksmuseum een herdenkingstentoonstelling wil inrichten. Dankzij bezoeken aan Suriname en gesprekken met de mensen daar en in Nederland heeft Akkerman het allemaal bijzonder geloofwaardig weten over te brengen. Ik schaam me bijna dat ik niets wist van deze vlek op onze vaderlandse geschiedenis.

Hemelvaart

Dat doen non-fictieschrijvers blijkbaar graag: mensen interviewen om het verhaal compleet te krijgen. Judith Koelemeijer deed het om heel persoonlijke redenen toen ze het boek Hemelvaart (KOEL) schreef. Toen zij zelf 18 was maakte ze nl. een vakantiereis naar de Griekse eilanden, als jongste van zes meisjes, elk met een rugzak en verder niets. Ze hadden een nogal wilde, maar wel heel fijne tijd, ontmoetten interessante jongens, dronken veel en dansten vaak tot zonsopgang. Maar op de allerlaatste avond gebeurde er iets heel ergs. Annette, Judiths beste vriendin, stierf in een motorongeluk en er gingen 5 vriendinnen terug met een doodkist. Niemand van hen begreep hoe dit had kunnen gebeuren en dan zaten ze ook nog met bepaalde dingen die bijna als een voorgevoel van Annetes kant uitgelegd konden worden.

Judith Koelemeijers vorige boeken, die veel opgang maakten bij onze lezers, waren heel interessant, maar niet specifiek persoonlijk. Dit is anders, hier legt ze 25 jaar na het ongeluk haar ziel bloot omdat ze het verlies en het verdriet nooit echt verwerkt heeft. Judith spoort de andere betrokkenen op, ook de Duitse en Griekse jongens, en vraagt naar hun versie van wat er gebeurd is. Ieder heeft zo z’n eigen herinneringen, waarschijnlijk is het voor een aantal van hen ook heel goed dat er nu eindelijk eens over gepraat wordt. Ook de ouders en broer van Annette komen aan bod, elk met een heel persoonlijke manier van rouwverwerking. Net als de andere twee boeken van Koelemeijer staat dit bij de romans. Net als die andere twee is het helemaal geen roman, maar waarschijnlijk moeilijk in een categorie van de non-fiction onder te brengen.

Advertenties

Tags: , , , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s